Dubbele diagnose, dubbel ingewikkeld

Haar zoon heeft een dubbele diagnose: hij is psychosegevoelig én verslaafd aan cannabis. Toen ze hem voor het eerst in psychotische toestand naar het ziekenhuis bracht, had ze geen idee van de vicieuze cirkel waarin ze terecht zou komen. “Van het begin af aan werd ik van het kastje naar de muur gestuurd. De ggz en de verslavingszorg werken niet samen. Mijn zoon heeft de afgelopen jaren acht psychoses gehad, maar zijn verslaving is nog steeds niet behandeld.”

“Mijn zoon heeft twee problemen en die houden elkaar in stand. Om te worden behandeld voor zijn psychoses moet hij afkicken, maar om te kunnen afkicken moet hij rustig zijn in zijn hoofd en daarvoor gebruikt hij cannabis. Terwijl cannabis juist een psychose kan uitlokken bij iemand die daar gevoelig voor is. Dus als je de verslaving niet behandelt, heeft behandeling van de psychose ook geen zin. Maar de ggz en de verslavingszorg werken nauwelijks samen. Ik heb alles geprobeerd om hem te laten afkicken – thuis op eigen kracht, een gedwongen opname, via het FACT-team – maar het is niet gelukt.

Ik zie als eerste dat het fout gaat, maar er wordt niet naar me geluisterd

“Zodra ik signalen zie van een psychose, trek ik bij de ggz aan de bel. Vaak denken ze dat ik overdrijf. Mijn zoon is heel charmant en slim, hij kan moeiteloos het gewenste antwoord geven. Zijn begeleider denkt dan dat het goed met hem gaat. Maar als ik bij hem thuis ga kijken, tref ik een psychotische vesting aan. Het komt ook voor dat mensen wel willen helpen, maar niet kunnen. Bij een dubbele diagnose lijken de procedures ook dubbel ingewikkeld te zijn. Bovendien is mijn zoon volwassen, dus moet hij zelf geholpen willen worden voordat ze iets kunnen doen.

“Ik heb ordners vol aantekeningen van wat ik in de afgelopen jaren heb geprobeerd om de juiste hulp voor mijn zoon te krijgen. Maar hij is volwassen, dus ik heb feitelijk niets over hem te zeggen. Als volwassene kan hij hulp weigeren, zijn woning opzeggen, schulden maken. Omdat ik er geen gat meer in zag, ben ik gaan praten met de familievertrouwenspersoon. Die heeft me geleerd dat ik duidelijk moet zijn. Ik ben van nature geneigd om mee te leven met de begeleiders, want ze doen erg hun best en hebben het al zo druk. Dat is mijn valkuil. Tegenwoordig zeg ik: dit wil ik. Je moet haar op je tanden hebben en een stiletto op je tong om er doorheen te komen.

“Op een dag kwam ik mijn zoon tegen op de markt. Uitgemergeld, want hij eet niet als hij blowt. Ik liep met twee boodschappentassen vol eten, terwijl hij als een idioot om me heen danste. Zo pijnlijk! Zijn eigen waandenkbeelden beletten hem om bij me te komen eten. Maar hij was te goed voor de psychosekliniek en te slecht voor de dubbeldiagnosekliniek, dus was hij naar huis gestuurd. Er werd me ondersteuning aangeboden, maar voor mij was de maat vol. Ik zei: hij heeft júllie hulp nodig, ik doe helemaal niets meer. En toen mijn zoon vertelde dat hij niet wilde afkicken, heb ik gezegd: dat is jouw keuze, je bent volwassen.

Ik kan het niet alleen

“Niets doen klinkt eenvoudig, maar is ontzettend moeilijk. Daarom bel ik de familievertrouwenspersoon als ik ergens tegen aanloop. Die helpt me om de dingen in perspectief te zien. Ik kan mijn kind niet alleen op de rails krijgen, dus ik moet een manier vinden om samen te werken met de ggz én zelf overeind te blijven. Dankzij de inspanningen van zijn FACT-begeleider is mijn zoon toegelaten tot een programma voor mensen met dubbele diagnose. Toen ik werd uitgenodigd voor een eerste gesprek met de begeleiders heb ik de familievertrouwenspersoon meegenomen. Het werd een goed gesprek.”

Terug