Het is één groot oerwoud, er is niemand die vindt dat het probleem bij hem hoort

“Naasten in de ggz zijn geen mantelzorgers in de traditionele zin van het woord. En als ze het wél zijn, hebben ze dat zelf meestal niet eens door.” Fred Besemer, familievertrouwenspersoon in het sociaal domein, is stellig: “Zorgen voor een familielid met een psychische aandoening kan heel zwaar en eenzaam zijn. Of dat familielid nou bij je in huis woont of vijftig kilometer verderop.”

Mensen met psychiatrische problemen worden tegenwoordig steeds minder vaak opgenomen in een instelling, of verblijven er maar kort. Zodra iemand in de ogen van de behandelaar naar huis kán, gebeurt dat meestal ook. Daarmee wordt automatisch een groter beroep gedaan op familie en naasten. Fred Besemer: “Vooral naasten die ook mantelzorger zijn, worden steeds zwaarder belast. Wanneer je naaste bent van iemand die is opgenomen en je maakt je zorgen of bent ontevreden over de behandeling, dan kun je terecht bij de familievertrouwenspersoon in de instelling. Maar als iemand nog niet is opgenomen of niet meer in behandeling is bij de ggz, dan is het vinden van ondersteuning helemaal niet zo gemakkelijk.”

Naar huis met een receptje

“Regelmatig komen deze naasten aan het eind van hun Latijn bij de huisarts. Die kijkt alleen naar degene die voor hem zit en heeft geen weet van wat er zich thuis allemaal afspeelt. Meestal komen de spanning, vermoeidheid en wanhoop van de naaste wel aan bod in het consult, maar uit schaamte wordt er niet gesproken over de psychische problematiek van zoon, dochter of partner. En dus gaat de naaste met een receptje voor kalmeringstabletten weer naar huis. En wanneer iemand het wél aandurft om het onderwerp aan te snijden, dan zegt de huisarts wellicht: ’Laat uw kind of partner zelf maar langskomen’. Nou, dan kun je op je vingers natellen dat er uiteindelijk niks gebeurt. Want dat is nou juist het probleem: die gaat niet uit zichzelf naar de huisarts. Met hem of haar ‘gaat het prima’, toch? Dan sta je er als naaste echt alleen voor. Waar kun je terecht? Het Wmo-loket, het Centrum voor Jeugd en gezin, het sociaal wijkteam, of toch het Steunpunt Mantelzorg? Van de week zei een moeder nog tegen me: ‘Het is één groot oerwoud, er is niemand die vindt dat het probleem bij hem hoort.’”

Familievertrouwenspersoon omarmt probleem

“Ik vind als familievertrouwenspersoon wél dat het probleem bij mij hoort. Ik luister en adviseer over wat ik kan doen. En anders zorg ik voor een warme overdracht naar een instantie die de gevraagde ondersteuning kan bieden. Bijvoorbeeld een organisatie waar de moeder een cursus kan volgen die haar sterker maakt in het contact met haar zoon, zodat hij uiteindelijk wel hulp gaat vragen. Ik zal nooit tegen iemand zeggen: ‘U bent hier aan het verkeerde loket’. Ook laat ik naasten niet zomaar los: ik loop een tijdje mee om te kijken of het allemaal goed gaat. Zo niet, dan kan ik de naaste ondersteunen bij gesprekken over de situatie met zorgprofessionals en dienstverleners.“

Samenwerken met naasten

“In Den Haag, één van de regio’s waar ik werk, loopt momenteel een ggz-pilot <Naasten>. Het doel is om meer aandacht te schenken aan de familie en naasten van psychiatrische patiënten, zowel binnen als buiten de instellingen. Deelnemers zijn de gemeente, de zorgverzekeraar, Parnassia GGZ, het Haags Steunsysteem, Stichting Kompassie en de LSFVP. We delen kennis en proberen tot een betere samenwerking te komen tussen hulpverlenende en dienstverlenende instanties. Want dat is wat er meestal aan scheelt: iedereen doet z’n stinkende best, maar niemand werkt samen. In Den Haag zie je nu al dat dit nieuwe samenwerkingsverband werkt!”

Meer kennis, minder stigma

“Mantelzorgorganisaties hebben veelal weinig ervaring met de ggz. Medewerkers of vrijwilligers zijn misschien ook wel een beetje bang voor de psychiatrie. Dat is niet raar, er heerst in onze samenleving nu eenmaal een enorm stigma rondom mensen met een psychiatrische aandoening. Dat wordt de laatste tijd helaas niet minder. Soms begrijpen ouders en partners ook te weinig van de denktrant in de ggz. Ik heb bijvoorbeeld gehoord van naasten dat er werd gezegd door een ondersteuner: ‘Zet je zoon gewoon de deur uit of anders bel je de politie maar.’ Wat moet een naaste met zo’n advies? Die voelt zich totaal niet gehoord.

Om naasten de rol te laten spelen die van hen wordt gevraagd, zou er bij mantelzorgorganisaties meer kennis moeten komen over ziektebeelden. Meer ervaring en meer kennis van de psychiatrie levert ook meer respect op voor de patiënt en zijn naasten. Dat zorgt uiteindelijk voor minder stigma en daar is iedereen bij gebaat. Mantelzorgorganisaties zijn zich dat bewust en zoeken daarom samenwerking met de LSFVP. Ze weten dat ze voor complexere vragen en klachten een beroep kunnen doen op onze expertise.“

Meer informatie over het project ‘Familievertrouwenswerk in het sociaal domein’ >

 

Terug